Over duurzaam koken, feesten met een verantwoorde voetafdruk

Me bekommeren om natuurbehoud en heelheid van de schepping doet me anders kijken naar de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten hier en elders, naar de natuur in de stad waar ik leef, naar het spanningsveld tussen voeding, voedselprocuctie en het recht doen aan kleine boeren in Afrika, Latijns-Amerika, Zuid- en Oost-Azië. Het maakt me meer bewust van de lucht, het water, de aarde en hoe kwetsbaar die zijn. Het roept heel wat economische vragen op. En economie, we zijn het wellicht vergeten, heeft te maken met de manier waarop je je huis inricht en je huishouden bestuurt. Zorgen we nog wel goed voor het huis waarin we wonen?

Zien we de gevolgen van wat we hier doen voor elders op onze planeet en voor de generaties na ons? Kunnen we nog zoals Franciscus zingen van onze moeder aarde, broeder wind, broeder leeuwerik, zuster bij? De aarde is niet de achtergrond, niet het decor van het menselijk optreden, ze is ‘onze zuster moeder aarde die ons voedt en leidt, en alle vruchten voortbreng, bonte bloemen en planten’ (Zonnelied). Onze aarde roept ons op om onze verhouding met de armen van de schepping en van de mensen te herstellen.

Laten we daarom blij feesten, zonder de aarde te belasten. Voor mijn smaak zit het feestelijke meer in de manier waarop je gerechten kruidt en op smaak brengt, zorg besteedt aan presentatie en garnering dan in voedsel dat heel duur is omdat het van ver komt of zeldzaam is of buiten het seizoen valt.

Zoals Yotam Ottolenghti zegt: “Voedsel moet lachen.”

Uit: Clara’s Bron